Delen:

Vraag en antwoord
  • 1. Wat zijn de uitgangspunten van de Erfgoedwet?

    De Erfgoedwet heeft een aantal uitgangspunten.

    1. Het beschermingsniveau zoals dat in de oude regelingen gold, blijft ten minste gehandhaafd.
    2. Waar mogelijk worden ook particuliere organisaties ingezet bij het behoud van het cultureel erfgoed.
    3. Tussen de rechten van de eigenaar van cultureel erfgoed en de bescherming van het algemeen belang streeft de wet een redelijk evenwicht na. Daarom zijn regelingen en procedures geschrapt die niet langer duidelijke toegevoegde waarde hebben.
    4. In de Erfgoedwetzijn de internationale verplichtingen meegenomen die Nederland op het gebied van cultureel erfgoed is aangegaan.
  • 2. Waarom is er één integrale Erfgoedwet?

    De versnippering van de erfgoedwetgeving, met eigen definities, procedures en beschermingsmaatregelen, en de behoefte aan duidelijkheid waren de aanleiding om één integrale Erfgoedwet op te stellen voor het beheer en behoud van ons cultureel erfgoed. Met de Erfgoedwet is in één wet overzichtelijk vastgelegd hoe met ons cultureel erfgoed wordt omgegaan, wie waarvoor verantwoordelijk is en hoe het toezicht is geregeld. Voor de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is de Omgevingswet van belang.  Zie ook 4. Hoe verhoudt de Erfgoedwet zich tot de Omgevingswet? 


    De Erfgoedwet legt verder de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed zoveel mogelijk bij het erfgoedveld zelf: musea, collectiebeheerders, archeologen, eigenaren en overheden. Daarmee spreekt de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het vertrouwen uit dat de sector voldoende kennis, deskundigheid en betrokkenheid heeft om de zorg voor ons cultureel erfgoed in de praktijk waar te maken. Naast inhoudelijke voordelen draagt dit bij aan minder regels en bureaucratie.

  • 3. Wat zijn de belangrijkste veranderingen door de Erfgoedwet?

    De Erfgoedwet verandert een aantal zaken voor het erfgoedveld. Er zijn negen grote veranderingen te noemen. In verschillende onderdelen van het dossier Erfgoedwet is meer informatie te vinden over de onderstaande punten.


     

    Zorgvuldige afstoting van cultuurgoederen

    Het Rijk, de provincies, gemeenten, waterschappen, universiteiten en andere publiekrechtelijke rechtspersonen zijn verplicht een advies van een commissie van deskundigen in te winnen als zij cultuurgoederen willen afstoten waarvan zij eigenaar zijn. Het moet dan gaan om cultuurgoederen die mogelijk van bijzondere cultuurhistorische, wetenschappelijke of uitzonderlijke schoonheid zijn, en onvervangbaar en onmisbaar voor het Nederlands cultuurbezit.

    Zie ook  Vraag 5. Wat is de procedure rond het zorgvuldig afstoten van cultuurgoederen in overheidsbezit?


     

    Wettelijke beheernorm

    Er is één set van normen voor het beheer en behoud van de rijkscollectie.
    Zie ook Vraag 7. Wat zijn de normen voor beheer van de rijkscollectie?


     

    Een nieuw museaal stelsel

    De beheerkosten van de musea waarvoor de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verantwoordelijk is, zijn geen onderdeel meer van de vierjarige subsidiecyclus, maar worden structureel geregeld.
    Zie ook   Vraag 8. Wat is er veranderd in de financiering van rijksgesubsidieerde musea?


     

    Meer particulier initiatief bij behoud cultuurgoederen voor Nederland

    Ook andere partijen dan de Staat, zoals musea, kunnen beschermde cultuurgoederen kopen die naar het buitenland dreigen te verdwijnen.
    Zie ook Vraag 9. Hoe kunnen particulieren bijdragen aan het behoud van belangrijk cultuurbezit voor Nederland? 


     

    Aanvaardingsplicht voor cultuurgoederen van hoge kwaliteit

    Wanneer een eigenaar niet langer in staat is om te zorgen voor cultuurgoederen of verzamelingen van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die onvervangbaar en onmisbaar zijn voor het Nederlandse cultuurbezit en deze onbezwaard en zonder voorwaarden overdraagt, heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de plicht deze voor de rijkscollectie te aanvaarden.
    Zie ook Vraag 6. Hoe werkt de aanvaardingsplicht voor cultuurgoederen?


     

    Certificeringsstelsel in de archeologie

    Het vergunningstelsel voor het doen van archeologische opgravingen is vervangen door een certificeringsstelsel.
    Zie ook Vraag 14. Hoe werkt het nieuwe certificeringsstelsel voor de archeologie? en Vraag 15. Wanneer treedt het certificeringsstelsel in werking? 


     

    Betere bescherming maritiem erfgoed

    In de Erfgoedwet is aangegeven dat het verwijderen van cultureel erfgoed onder water een opgraving is. Dit verbetert de mogelijkheden om tegen diefstal van maritiem erfgoed op te treden.
    Zie ook Vraag 17. Wat verandert er voor maritiem archeologen dankzij de Erfgoedwet?


     

    Eenvoudigere procedure aanwijzing rijksmonumenten

    De procedure tot aanwijzing van rijksmonumenten is vervangen door de eenvoudigere Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure zoals geregeld in de Algemene wet bestuursrecht. Hierdoor is de procedure verkort van 10 naar 6 maanden, terwijl inspraak mogelijk blijft.
    Zie ook Vraag 10. Hoe verloopt de aanwijzing van rijksmonumenten in de toekomst?


     

    Harmonisering handhaving en toezicht

    De handhaving en het toezicht op musea en cultuurgoederen is geharmoniseerd. In de Erfgoedwet is rechtstreeks toezicht mogelijk bij alle partijen (overheid en musea) die de rijkscollectie beheren.

  • 4. Hoe verhoudt de Erfgoedwet zich tot de Omgevingswet?

    De Erfgoedwet en de Omgevingswet vullen elkaar aan en maken samen een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.

    De Omgevingswet brengt alle bestaande wet- en regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving samen. In de Omgevingswet wordt een zorgvuldige omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving vastgelegd. De bescherming van archeologische en gebouwde monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen krijgen voor een belangrijk deel een plek in deze wet.

    De vuistregel is: roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten in de Erfgoedwet, de aanwijzing van stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving in de Omgevingswet.

    De Erfgoedwet geldt sinds juli 2016 werking, de Omgevingswet treedt naar verwachting in 2019 in werking. Om in de drie jaar tussen 2016 en 2019 geen gaten in de bescherming van cultureel erfgoed te laten ontstaan, blijven alle bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die overgaan naar de Omgevingswet van kracht tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 5. Wat is de procedure voor het afstoten van cultuurgoederen door overheden en publiekrechtelijke rechtspersonen?

    De Erfgoedwet waarborgt een zorgvuldig genomen besluit bij het afstoten van cultuurgoederen of verzamelingen door het Rijk, een provincie, gemeente of andere publiekrechtelijke rechtspersonen, zoals waterschappen en universiteiten.
     

    Het voornemen tot afstoten van een cultuurgoed of verzameling door het Rijk, een provincie of een gemeente wordt publiek bekendgemaakt, waarbij wordt vermeld of advies van deskundigen wordt gevraagd. Als dat niet het geval is, kan iedereen gedurende 6 weken een zienswijze indienen over het belang van het object of de verzameling voor het Nederlands cultuurbezit.
     

    Bij een redelijk vermoeden van bijzonder belang voor het Nederlandse cultuurbezit moeten overheden en publiekrechtelijk rechtspersonen advies inwinnen bij een commissie van onafhankelijke deskundigen. Een commissie die aan de voorwaarden voldoet is de beschermingswaardigheidscommissie in het kader van de Leidraad Afstoting Museale Objecten (LAMO) van de Museumvereniging.
     

    Wanneer uit het advies van de commissie blijkt dat het een cultuurgoed of verzameling is van bijzonder belang voor het Nederlands cultuurbezit, wordt de minister op de hoogte gesteld door het bevoegd gezag, ten minste dertien weken voordat wordt overgegaan tot vervreemding aan een andere partij dan de Staat, een provincie, gemeente of andere publiekrechtelijke rechtspersoon.

  • 6. Hoe werkt de aanvaardingsplicht voor cultuurgoederen?

    Wanneer een cultuurgoed of verzameling verloren dreigt te gaan, bijvoorbeeld bij sluiting van een museum, en niemand bereid is het beheer op zich te nemen, biedt de Erfgoedwet een laatste vangnet.


    De aanvaardingsplicht van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft betrekking op cultuurgoederen of verzamelingen van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die onvervangbaar en onmisbaar zijn voor het Nederlandse cultuurbezit, en die verweesd dreigen te raken. Het gaat erom dat niemand zich bereid verklaart het beheer van die bijzondere cultuurgoederen of verzamelingen op zich te nemen. De eigenaar moet bereid zijn die cultuurgoederen om niet en zonder voorwaarden over te dragen. Wie de eigenaar is van de cultuurgoederen, is niet relevant.

  • 7. Wat zijn de normen voor beheer van de rijkscollectie?

    Niet alleen musea beheren delen van de rijkscollectie, maar ook de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en bijvoorbeeld rechtbanken, ministeries, Nederlandse ambassades, consulaten en overige vertegenwoordigingen. De Erfgoedwet bevat één set van normen voor het beheer van roerend erfgoed van de Staat. Daarmee wil de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de continuïteit in het beheer zeker stellen.

    In de Erfgoedwet zijn een aantal belangrijke uitgangspunten voor het beheer geregeld. Daarnaast kunnen nog nadere verplichtingen worden gesteld over de veiligheid van de collectie, restauratie, de registratie, en de administratieve organisatie van het beheer. De uitwerking daarvan volgt in een ministeriële regeling. Deze regeling geldt voor de musea die in 2016 worden belast met een wettelijke taak door de minister van OCW om zorg te dragen voor het beheer van de collectie.

    De wettelijke beheernormen zijn globaal geformuleerd omdat de praktische eisen aan het dagelijks beheer per categorie van beherende instellingen of cultuurgoederen kunnen verschillen. De voorgestelde beheersystematiek dient ook als inspiratie voor musea zonder wettelijke taak, zoals particuliere musea of musea gesubsidieerd door gemeenten of provincies.

  • 8. Wat is er veranderd in de financiering van rijksgesubsidieerde musea?

    Met de Erfgoedwet kan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij besluit een instelling belasten met de zorg voor het beheer van een collectie. Doel hiervan is de continuïteit in het beheer en behoud van de betreffende collectie veilig te stellen voor de toekomst.

    Mede om die reden creëert de Erfgoedwet continuïteit in de financiering van het beheer. De kosten die de instellingen hiervoor maken, vormen niet langer een integraal onderdeel van de vierjarige subsidiecyclus van de culturele basisinfrastructuur, maar worden op grond van de Erfgoedwet structureel gesubsidieerd. Onder kosten voor beheer vallen onder meer kosten voor huisvesting en klimaatbeheersing, beveiliging en restauratie. De bekostiging van de publieksactiviteiten valt nog steeds binnen de vierjarige subsidiecyclus van de basisinfrastructuur.

    Alle beheerders van de rijkscollectie of een collectie waarvoor het Rijk verantwoordelijkheid heeft genomen, vallen vanaf 2016 rechtstreeks onder het toezicht van de Erfgoedinspectie.

  • 9. Hoe kan particulier initiatief bijdragen aan het behoud van belangrijk cultuurbezit voor Nederland?

    Particulieren en fondsen, zoals de Vereniging Rembrandt, hebben van oudsher een belangrijke rol bij aankopen en behoud van belangrijke cultuurgoederen voor Nederland. Door de Erfgoedwet worden particulieren, waaronder ook musea, nog beter in positie gebracht om bij te dragen aan het behoud van belangwekkende cultuurgoederen voor Nederland als een beschermd cultuurgoed naar het buitenland dreigt te verdwijnen.

    Dat gaat als volgt: wanneer verkoop van beschermde cultuurgoederen naar het buitenland dreigt, publiceert de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bedenkingen tegen het voornemen in de Staatscourant en eventueel nog op een andere geschikte wijze, zoals op een website. Mogelijke kopers krijgen 6 weken de tijd om zich te melden bij de minister van OCW. Deze geeft de interesse meteen door aan de eigenaar, maar treedt niet op als bemiddelaar. De eigenaar bepaalt vervolgens zelf of hij ingaat op het aanbod van mogelijke kopers die zich hebben gemeld.

    Ondanks de meer prominente rol van derden in deze procedure houdt de Staat de bevoegdheid om een beschermd cultuurgoed zelf aan te kopen om het te behouden voor het Nederlands cultuurbezit. Deze mogelijkheid blijft van belang: het gebruik ervan vergt een afweging tussen het algemeen belang van het cultureel erfgoed, het belang van de eigenaar, het belang van het vrije verkeer, en de beschikbare publieke middelen.

  • 10. Hoe verloopt de aanwijzing van rijksmonumenten in de toekomst?

    Ook in de toekomst vindt slechts op beperkte schaal aanwijzing van rijksmonumenten plaats. De nadruk ligt de komende jaren vooral op structurele verbetering van het monumentenbestand en niet op vergroten van de omvang ervan.


    De wettelijke criteria voor aanwijzing van rijksmonumenten – van algemeen belang vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde – blijven ongewijzigd.

    Daarnaast komt er een verkenning van enkele mogelijke nieuwe aanwijzingsprogramma’s.

  • 11. Hoe beschermt de Erfgoedwet historische interieurs?

    De rijksoverheid erkent het belang van waardevolle interieurensembles. De overheid probeert in nauwe samenwerking met het erfgoedveld de maatschappelijke bewustwording rond de zorgvuldige omgang met interieurs en interieurensembles te vergroten. Bijvoorbeeld met het Interieurplatform en Interieurprogramma van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Of door verschillende woonhuismusea financieel te ondersteunen. Ook staan de collecties van enkele prominente interieurensembles op de lijst van beschermde objecten.



    De Erfgoedwet regelt ook dat een rijksmonument samen met interieuronderdelen kan worden aangewezen als ensemble, wanneer het geheel van rijksmonument en de cultuurgoederen in onderlinge samenhang van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is. Een aangewezen ensemble wordt geregistreerd in een aan het rijksmonumentenregister gekoppeld openbaar informatiesysteem. Vanwege de privacy moet de eigenaar toestemming geven voor het opnemen van het ensemble in dit systeem.

  • 12. Hoe wordt mobiel erfgoed beschermd?

    Mobiel erfgoed is een belangrijk onderdeel van ons cultureel erfgoed. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed ondersteunt de sector met het actualiseren, uitbreiden en digitaal ontsluiten van het register voor mobiel erfgoed. Er komt ook een lijst van toonbeelden van mobiel erfgoed.

    Daarnaast worden door de sector gesignaleerde knelpunten in wet- en regelgeving voor eigenaren van mobiel erfgoed onder de aandacht van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De minister van OCW neemt de coördinatie om de belangen van het mobiel erfgoed op structurele basis te verdedigen bij andere ministeries, gaat proactief op zoek naar mogelijkheden om mobiel erfgoed te behouden en pleit voor uitzonderingsposities in het geval dat wetten evident onredelijk uitwerken voor mobiel erfgoed. Een ontheffing mag echter niet ten koste gaan van de veiligheid voor mens en dier.

  • 13. Wat verandert er in het monumentenregister door de Erfgoedwet?

    Met ingang van de Erfgoedwet bevat het register alleen gegevens over de inschrijving en identificatie van de rijksmonumenten. Dus uit welke onroerende zaak of zaken bestaat het rijksmonument en waar bevinden die zich. Het monumentenregister is niet bedoeld voor onderbouwing van de bescherming of uitvoerige beschrijving. De Rijksdienst ontwikkelt een digitaal informatiesysteem met beschikbare informatie over rijksmonumenten. Gemeenten en eigenaren kunnen deze informatie gebruiken voor (beslissingen op) vergunningaanvragen.

  • 14. Hoe werkt het nieuwe certificeringsstelsel voor de archeologie?

    De Erfgoedwet vervangt de huidige opgravingsvergunning door een certificaat. Dat moet garanderen dat opgravingen op professionele wijze worden uitgevoerd.


    Een certificering is verplicht in het geval er sprake is van een opgraving ofwel ‘verstoring van de bodem’. De certificaten worden afgeven door certificerende instellingen. Zij stellen vast of de aanvrager voldoet aan de norm. De archeologische beroepsgroep stelt deze norm op. Uitgangspunt is de huidige Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. De norm gaat niet alleen om het opgraven zelf, maar ook over het conserveren en documenteren van archeologische vondsten en het opstellen van een rapport over de opgraving. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap moet daarbij toetsen of deze norm binnen het wettelijk kader blijft.


    Er zijn verschillende certificaten geïntroduceerd voor werkzaamheden die onder een opgraving vallen. In het dossier Erfgoedwet wordt het certificeringsstelsel uitgelegd.


    Omdat de norm door professionals in het archeologieveld is opgesteld, is de verwachting dat er meer draagvlak voor is en een betere naleving. Met als uiteindelijke doel een betere kwaliteit van archeologisch onderzoek. Bovendien kan eenvoudiger worden ingespeeld op ontwikkelingen binnen de archeologische sector.
     

    De certificerende instellingen zijn ook verantwoordelijk voor het toezicht op naleving van de norm door archeologische bedrijven. Via audits controleert de certificerende instelling of het bedrijf tijdens zijn werk daadwerkelijk voldoet aan de gestelde eisen.

  • 15. Wanneer treedt het nieuwe certificeringsstelsel in werking?

    Om partijen die een opgravingsvergunning hebben de gelegenheid te geven om een certificaat te verkrijgen is er een overgangsjaar ingesteld.Tot 1 juli 2017 mogen houders van een opgravingsvergunning zonder certificaat opgravingen doen en hebben zij 1 jaar de tijd om de gewenste certificaten te behalen. Vanaf 1 juli 2017 mogen alleen nog gecertificeerde bedrijven opgravingen doen.

    Certificerende instellingen krijgen 2 jaar de tijd om de vereiste accreditatie te halen.

  • 16. Wat betekent de Erfgoedwet voor amateurarcheologen en detectoramateurs?

    Amateurarcheologen in verenigingsverband worden in bepaalde gevallen vrijgesteld van de verplichting om een certificaat te hebben. Bijvoorbeeld bij opgravingen op een terrein dat wordt verstoord, waarvan is vast komen te staan dat er beperkte archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn en waarvan de gemeente vindt dat er geen professionele opgraving noodzakelijk is.


    Ook voor detectoramateurs kunnen uitzonderingen op de certificatieplicht gelden. Metaaldetectie met als doel het opgraven van de vondst is toegestaan tot een diepte van 30 cm. Dit deel van de bodem is over het algemeen al verstoord. De uitzondering geldt niet voor gebieden waarvan de gemeente heeft bepaald dat die een archeologische bestemming hebben of voor rijks- provinciale of gemeentelijke monumenten.


    De precieze voorwaarden voor vrijstelling voor zowel amateurarcheologen als detectoramateurs worden nader toegelicht in het dossier Erfgoedwet.

  • 17. Wat verandert er voor maritiem archeologen dankzij de Erfgoedwet?

    In de afgelopen jaren is gebleken dat de bescherming van ons archeologisch erfgoed onder water onvoldoende is. Dat komt vooral omdat de omschrijving van de begrippen ‘opgraving’ en ‘archeologisch monument’ niet altijd toereikend zijn voor onderwaterarcheologie. Maritieme archeologische monumenten liggen namelijk vaak op de bodem in plaats van in de bodem. In die zin is er dus geen sprake van opgraving.



    In de Erfgoedwet is de formulering van de belangrijkste begrippen aangepast. Ook het verwijderen of verplaatsen van cultureel erfgoed onder water is met ingang van de Erfgoedwet expliciet een opgraving, waar een certificaat voor nodig is.