Ingeborg Hobbelman (1939), IJslands paard (1973), brons, 26 x 12 x 33 cm, inv.nr. SZ83032

IJslandse paarden worden al meer dan duizend jaar raszuiver op het eiland gefokt. Hun schofthoogte is tussen de 1,30 tot 1,50 meter, zodat ze eigenlijk tot het ponyras behoren. Ze hebben lange manen, gedrongen lichamen met een dikke vacht, weelderig behaarde benen en een goed gezichts- en oriëntatievermogen. Bovendien staan de kleine paardjes bekend om hun werklust en temperament. En behalve dat ze kunnen draven en galopperen, kunnen ze nog twee versnellingen maken: de zogenoemde tölt en de telgang.

Zie hier een paar kenmerken van het paard dat de Amsterdamse kunstenares Ingeborg Hobbelman in brons liet gieten. Het beeld werd verworven via de Beeldende Kunstenaarsregeling, die het kunstenaars in de jaren 1949-1987 mogelijk maakte hun werk te verkopen aan de gemeente, die daarna de helft van de werken aan de staat gaf. Van Hobbelman is nog één ander werk aanwezig in de rijkscollectie, een stenen torso van een knielende vrouw uit 1970, dat ook werd verworven via de BKR.

Hobbelman begon in 1958 aan een avondcursus tekenen. In 1964 werd ze toegelaten tot de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam, waar ze bij professor Piet Esser ging beeldhouwen. In haar laatste jaar kreeg ze les van de beeldhouwster Thea van der Pant. Hobbelmans oeuvre bestaat uit beelden van dieren in steen en brons, zelfportretten, een glasmozaïek en een plaquette in basalt met drie musici middenin het groen van de grienden bij de Gaasperplas in Amsterdam. Ook kreeg ze opdrachten voor het maken van monumentale beelden, onder andere in Zierikzee.

De stevige paardenrug nodigt uit tot aanraken. Henry Moore, de bekende Engelse beeldhouwer, schreef eens: ‘De voelbare ervaring is heel belangrijk voor de esthetische dimensie van scupltuur.’ Aan de oplichtende ruggengraat in het donkere brons is te zien dat mensen het IJslands paard inderdaad wel eens streelden…

Fransje Kuyvenhoven, oktober 2017

Delen: