Bedwongen water

Nadat Zeeland en grote delen van Zuid-Holland waren getroffen door de dijkdoorbraak op 1 februari 1953, startte de regering in 1957 het Deltaplan. In de grote zeearmen werden dammen en keringen gebouwd zodat een dergelijke watersnoodramp nooit meer zou gebeuren. De regering was zo trots op haar spectaculaire verdedigingslinie tegen het water dat ze 38 kunstenaars opdracht gaf om ze uit te beelden. Tussen 1959 en 1970 werden 61 werken vervaardigd: 40 bladen grafiek, 18 schilderijen, 2 beelden en 1 fotoserie.

De rijksaankoopcommissie gaf Rein Draijer de opdracht om het oudste Deltawerk te schilderen, de stormvloedkering bij Capelle aan de Hollandse IJssel. In januari 1954 waren de eerste baggerwerkzaamheden begonnen en vier jaar later, op 6 mei 1958, werd de kering in gebruik genomen. De stuw bestaat uit twee enorme schuiven van elk 80 meter breed en 11,5 meter hoog die tussen twee 45 meter hoge torens aan staalkabels zijn opgehangen. Bij dreigende watersnood worden de schuiven neergelaten.

Draijer kreeg tekenlessen aan de Academie Kunstoefening in Arnhem en vervolgde zijn opleiding aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, waar hij later een geliefde docent was. In 1952 kreeg hij voor de eerste maal de Jacob Marisprijs, in 1968 nog eens. In 1962 vertegenwoordigde hij Nederland op de Biënnale van Venetië. Behalve schilder was hij beeldhouwer, maakte hij keramiek en monumentaal werk. Hij hoorde bij de Nieuwe Haagse School, een groep kunstenaars die zich verzette tegen Cobra en ‘modern-figuratief’ schilderden met de Nederlandse 17de-eeuwse kunst als inspiratiebron.

In dit werk schilderde Draijer zo min mogelijk details zodat alle nadruk op de torens en schuiven kwam te liggen. En op het water! Het water dat bedwongen moest worden. Dat versterkte hij nog eens door in de kleuren weinig variatie toe te passen. De paal links, die de hoogte van de waterstand aangeeft, is het enige levendige detail.

Fransje Kuyvenhoven, juni 2018

Delen: